<<

So it must be a stone


Ruth Verraes
2011

Neem een zak met zout en laat deze langzaam leeg lopen. Als het goed is krijg je het idee van gigantische, bruisende watervallen. Misschien blijft het gewoon een zak zout die leegloopt. Zo zag ik hoe stenen van water worden wanneer de zon er op schijnt. Wat je ziet en hoe je dat opschrijft of hoe je dat aan iemand beschrijft en het beeld dat dit vervolgens oproept, zijn verschillende dingen.

Aan beeldend kunstenaars wordt vaak gevraagd een tekst te schrijven. De tekst is een plan voor nieuw werk. Of de tekst vormt de achtergrond van het werk, schept een kader waarin het werk bekeken wordt of plaatst het werk in een breder perspectief. In ieder geval wordt er iets van de tekst verwacht. Hoewel het de kunstenaar niet aan ideeën, anekdotes, schetsen en verhalen ontbreekt, is het niet de bedoeling dat hij deze met aplomb en ongeordend neerlegt. Er wordt een vorm verlangd. Tekst en beeld geven het idee van twee gescheiden werelden die niet altijd met elkaar te rijmen zijn. Het materiaal waaruit ze zijn ontstaan is hetzelfde. De tekst wordt vervolgens als puur informatief gezien.

Een welwillende lezer zoekt naar de bedoeling van de schrijver. Een zorgvuldige kijker zoekt de diepere betekenis in het werk. Betekenissen genereren zichzelf terwijl je machteloos toekijkt hoe dat gebeurt. Terwijl ik me halverwege een goed gesprek afvraag hoe we op het onderwerp gekomen zijn, vloeit het ene onderwerp al associatief over in het andere.

 

1. De eerste herinnering van een kleine jongen is die aan zijn tante, een wit wassen ding opgebaard in de kamer. De jongen is ontroerd door de schoonheid ervan. Hij vraagt zich af wat een ding inhoudt en wat er gebeurt wanneer de verandering plaatsvindt en er slechts een ding achterblijft.

2. We geven een naam aan iets wat we scheppen en vragen ons vervolgens af of het ding ook zonder zijn naam kan bestaan. Ik vond deze zin in een boek over het getal nul dat zich in de bibliotheek op de wiskunde-afdeling bevond. Soms ben ik maanden bezig om een onderwerp te vangen. En dan ligt het daar. Hapklaar geformuleerd alsof het de meest eenvoudig zaak van de wereld is.

3. De natuurkundige Lichtenberg deed in de achttiende eeuw een ingrijpend voorstel. Hij schreef dat we het bestaan alleen kennen van onze gewaarwordingen, voorstellingen en gedachten en stelde voor om niet te zeggen ik denk, maar het denkt, zoals je zegt het bliksemt.

4. Een dichter kijkt aan de rand van een wei naar een zwarte vlek. De zwarte vlek beweegt, het is een paard. De dichter draait het hoofd en zoekt een tweede paard. Hij vindt het. Vervolgens wordt er gewacht, tot het paard zijn staart beweegt.

5. Een bol bevindt zich in dezelfde ruimte als de woorden berg en steen. De bol verwijst naar de berg en verwijst naar de steen. Geometrische vormen zoals kubus, bol en kegel vormen de basis voor meerdere objecten, ook al dragen deze objecten een andere naam.

6. Een zekere Wilkins vatte een prachtig plan op om een wereldtaal te maken waar elke letter in een woord een betekenis had en waarbij elk woord zichzelf uitlegde. De taal was systematisch opgedeeld in categorieën en tabellen. Maar zijn systeem bracht allesbehalve verheldering. Wat zijn ‘gewone stenen’ en wat zijn ‘eenvoudige stenen’, zoals hij ze in de achtste categorie opdeelt? In de zestiende categorie definieert hij het woord voor walvis als een levensbarende, langwerpige vis.

7. Ik kopieerde, scande, fotografeerde en printte stenen uit boeken en encyclopedieën zodanig deze stenen uit hun context te bevrijden, maar er lag een afgeknipt papiertje op de grond. Daaruit bleek dat de stenen hier als vorm, silhouet, schaduw of object, beroemd zijn in Australië. Ik kijk opnieuw naar mijn stenen en herinner me nu pas de stenen op posters van de kunstenaar Michel François. Het werk heet déjà-vu (Stones). Ik zie een opmerkelijke gelijkenis.

8. Vanuit wat voor perspectief je een bol ook bekijkt, zijn betekenis verandert niet.

9. Ik herinner me een drukke autosnelweg, vier of vijf banen, veel auto’s die elkaar inhalen en langs elkaar heen razen. En tussen de auto’s paarden. Wat ik me vooral herinner is het beeld, enkele scenes later, van briesende paarden, hun benen in de lucht, druk gebarende mensen, veel stof en hoe ik niet meer zeker wist of ik het werkelijk gezien had.

10. Lees je een boek in de trein en kijk je op, dan speelt het verhaal zich af in het landschap dat aan je voorbijschuift.

11. Maak ik me een andere voorstelling van een berg wanneer deze in kapitalen of kleine letters wordt geschreven? Wanneer deze hardop uitgesproken wordt of tussen andere woorden wordt geplaatst?

12. De eerste Chinese Keizer die de opdracht gaf om de Chinese Muur te bouwen gaf ook opdracht om alle boeken die voor zijn tijd waren geschreven te verbranden. Misschien probeerde de Keizer echt de eerste te zijn, degene die het kompas uitvond en het schrift. Maar bijzonder is niet alleen dit onthutsende feit en de maat waarin het gebeurde, maar ook hoe Borges op zoek gaat beide ondernemingen met elkaar te rijmen. Zo bedenkt hij dat ieder die het verleden aanbad, veroordeeld werd tot het bouwen van de Chinese Muur. Misschien, bedenkt hij, heffen beide ondernemingen elkaar op.

13. Voor het nulnummer van het literaire tijdschrift Terras, kreeg ik het idee om de nul op de kaft inhoudelijk te verbeelden. Nul, niets en toch nog steeds een vorm. Een vat, een gesloten lijn met niets er in, maar toch een vat. Of ik dat zou kunnen verbeelden, een leeggelopen nul.

14. Als een mier de weg kwijt is, loopt hij achter een mier aan om weer thuis te geraken. Een vriend vertelde me over een kolonie hopeloos verdwaalde mieren. De ene verdwaalde was achter de ander verdwaalde aangelopen en dit had zich een aantal keer herhaald. Als gevolg loopt de hele kolonie in een grote cirkel om het huis heen.

<<