<<

Bijschrift 1

I
Wanneer ik een wandeling maak met iemand die deze wandeling eerder maakte, vraag ik me twee dingen af.
Maken wij een herinnering actief of creëren we een nieuwe herinnering waar ook ik deel van uit ga maken?

II
Bevestig je een stok aan een roller, dan is het witten van de muren geen grote opgave meer. Met een kleine borstel schilder je de randen en dat maakt het schilderwerk af. Wat eraan vooraf gaat: ik ga naar de Praxis, trek thuis mijn werkkleren aan, leg plastic op de vloer, dek de randen af met tape. Na het schilderen spoel ik de borstel, wring de verf eruit, verzin een nieuwe plek voor verf-overschot, trek ik het plastic weg enzovoorts.

De tijd die het kost om met de auto Amsterdam uit te rijden en de stad van bestemming in te rijden, is dezelfde als het hele traject op de snelweg.

III
Ik denk aan alle uitzichten die ik eerst nauwgezet fotografeerde en ondertussen al even nauwgezet nalaat te fotograferen. Ik haal ze niet meer uit elkaar. Wat ik hier en nu ervaar is niet te vangen in een plaatsgebonden emotie, niet aan te wijzen op een landkaart. Een foto van een uitzicht dat niet meer verwijst is een plat plaatje geworden. Dat landschap smeekt me om gezien en herinnerd te worden. Maar er gebeurt niets. Daar voel ik me schuldig om.
Ik noteer: een rivier die bij de top van de berg overloopt in een wolk.

IV
In de bergen krijgen we ruzie over het vervolg van het pad. De stenen waar we op lopen kunnen evengoed een toevallige steenverzakking zijn als dat het een pad is. Als gevolg staan we op honderd meter van elkaar heen en weer te schreeuwen over wat meer of minder de naam ‘pad’ waardig is.
Is de ruzie ons ingegeven door het landschap?

V
Terwijl een gedachte de vrije loop krijgt, houdt de aarde mijn stappen vast.

VI
Op het internetforum noteer ik mijn vragen en iemand geeft daarop antwoord en nog een ander is blij dat ik de vraag stel waarop ook hij antwoord zocht en iemand is zo vriendelijk daar ook daadwerkelijk antwoord op te geven.
In de bergen leggen mensen stenen op hoopjes zodat je de weg kan vinden. Maar ik vraag me vooral af wie de mensen zijn die hier met twee verfpotten passeren om de Grande Randonnées te overschilderen.

VII
In een ander land dan waar je bent geboren moet je jezelf heruitvinden.
Op een ander continent wil ik me niet als een kind in een dierentuin gedragen. Ik wil het exotische niet met een vorm van esthetiek verwarren.

VIII
Een liggende bok op een steen die ik zie maar niet aan kan wijzen vanwege zijn steengrauwe kleur. Naast de stenen lopen we op een pad omhoog. Of ik de bok opnieuw aan kan wijzen. Hoewel we niet langer dan tien minuten hebben geklommen, kan ik de formatie van stenen, die me toch zo specifiek leek, niet vinden.

IX
Je rijdt mee met de bus en niet met de chauffeur. De beweging van de bus wordt jouw beweging en daarmee een stilstand. Het huis waar je woont draait tijdens een reis voortdurend om je heen. Eerst in een zich verwijderende omgeving, later in een toenadering.

X
Ik wil niet naar een plek terugkeren omdat ik denk iets vertrouwds te zien. Hoogstens krijg je de kans iets uit te diepen, wat je in een eerste verkenningsronde nog niet kon zien.

XI
Hij zegt dat het landschap niet klopt met de kaart. Een kaart ordent en schikt een landschap, maakt het landschap definitief. Vangt het in codes, in een systeem van lijnen, cijfers en kleuren. Aan een kaart ontbreekt steeds een horizon. Zonder horizon raak je alle verhoudingen kwijt.

XII
Je doorbreekt de rust van het denken door over het denken na te denken. Wat eerst kleine lettertjes waren in het achterhoofd worden kapitalen.

<<