<<

Blauwdruk

- hoofdstuk I
- hoofdstuk II
- hoofdstuk III
- hoofdstuk IV
- hoofdstuk V
- hoofdstuk VI
- bibliografie

I Bestaat er een vorm voor een boot?


1.
‘De zuidenwind huilde’1
‘On that day all the fountains of the great deep were broken up and the windows of heaven were opened.’2
‘En de regen stortte neer gelijk een waterval.’1
‘Verwoestend en de gehele bevolking uitroeiend was het water over het land heengegaan.’3
‘Golven die hoger waren dan bergen, rolden aan op het land.’4
‘En de slagregen was veertig dagen en veertig nachten over de aarde.’2
‘Vijftien el daarboven stegen de wateren.’2
‘De continenten scheurden en verzonken in de golven.’4
‘And the mountains were covered.’6
‘En alle hoge bergen onder de ganse hemel werden verdekt.’2
‘And the waters multiply, and lift up the ark.’6
‘And the ark goeth on the face of the waters.’6
‘And the ark moved about on the surface of the waters.’7
‘O earth! Swallow up your water, and O sky! Withhold.’8
‘Op Zijn bevel begon er een wind over de aarde te waaien.’9
‘The fountains of the deep and the windows of heaven were also stopped.’10
‘En op de eerste dag van de maand werden de toppen van de bergen zichtbaar.’9
‘And on the seventh month, on the seventeenth day of the month the Ark rested upon the mountains of Ararat.’11
‘Na de overstroming bevonden de overlevenden zich op de top van één der hoogste bergen. Al het overige lag onder water.’4
2.
Ik sta op een grote metalen plaat en krijg een blad papier in mijn handen gedrukt. Het is het getekend ontwerp voor het schip. Op de plaat, wijst de man, staan deze lijnen gegrift op ware grootte. Ze dienen als handleiding voor de bouw. Losse stukken worden er tegenaan gelegd en moeten precies dezelfde kromming krijgen. Voor ons staat het karkas van het zeilschip. Het schip bekleden is als het inpakken van een voetbal met een blad papier. Het metaal trekt krom en kan varen.
3.
In het oorspronkelijke Genesis-verhaal blijft Noachs ark vastzitten op de berg Ararat in Turkije. Op Parnassus in Griekenland ligt Deucalion’s schip. De boot van Oetnapisjtim ligt in Irak op Nisir, Manu’s ark ligt in de Indische Himalaya. Noah van de Koran liet zijn schip achter op Mount Judi, op 200 mijl van Ararat. Tussen de eeuwige sneeuw in Midden en Noord Amerika liggen schepen uit zondvloed verhalen van de Azteken, de Maya’s en de Hopi indianen. De goden: Zeus, Allah, de Heer, Ea. Stuk voor stuk vonden ze dat de mens met een vloedgolf gestraft moest worden.
4.
Op het internet wordt massaal gediscussieerd over de afmetingen, het bouwmateriaal van de ark, de plaats van lancering. Expedities leiden naar vage resten. Een steen, met inkerving, op een bergflank wordt een anker, een stuk hout een roeispaan. Er verschijnen nieuwsbrieven op het net ‘De zoektocht van Noah’s ark deel 1-10’ met titels als: ‘Een bootachtige vorm ontdekt in de buurt van Ararat’ of ‘Is de schutting een bewijs van Noah’s huishouden?’ De resultaten van de expedities zijn de ene keer een gat in de grond, dan weer een hoop zand. Het hout is verdwenen maar de vorm is gebleven.
5.
Ik verzamel een reeks foto’s van scheepswrakken. Op enkele zie je houten stompjes uit het zand steken, op andere zijn ze langer en vormen een karkas. Of er ligt een boot vol gaten op zijn flank in het gras. Ik blader verder: er ligt een stoomschip in de woestijn. In alle gevallen herken ik, hoe abstract ook, de vorm van een schip.

- hoofdstuk I
- hoofdstuk II
- hoofdstuk III
- hoofdstuk IV
- hoofdstuk V
- hoofdstuk VI
- bibliografie

II Bestaat de vorm voor een boot?


1.
Hoe kan een tekst een hoop zand worden in de plooi van een berg? Bestaat er een vorm, inherent aan het verhaal van Noahs ark, inherent aan de verschillende teksten in verschillende talen, dat alle verschillen overbrugd? Ik vond een soortgelijke vraag bij Levi-Strauss: ‘Gezien dat mythen alles kunnen bevatten – ze zijn niet gebonden aan accurate regels of waarschijnlijkheid, waarom is er zo’n opmerkelijke overeenkomst tussen zoveel mythen uit wijd verspreide culturen?’ 1
De lijntekening ligt naast het scheepskarkas en naast de foto van het scheepswrak. Wat is hun onderling verband? Bestaat de vorm voor een schip? Bij de mythe gaat het niet om de inhoudelijke overeenkomst. Er is een structurele gelijkenis zegt Levi Strauss: ‘ga naar het kleinste deeltje van de mythe en spreid het uit zodat je het synchroon en diachroon kan lezen.’1
2.
Enkel wat ik zie geef ik een naam, of zie ik enkel dat wat ik benoem? Heeft Martinus Nijhoff (‘Lees maar er staat niet wat er staat’) gelijk of is net het tegengestelde waar? En is de discussie van amateurs over de precieze afmetingen van de ark niet wat loos wanneer je wetenschappers over de mythe hoort? In de meeste wetenschappelijke definities vallen de woorden ‘bovenhistorische orde,’ ‘hoogste werkelijkheid,’ ‘diepere betekenis,’ ‘andere niveau’s van bewustzijn,’ en zelfs ‘kern van diepe stilte.’ Over wat mythen precies zijn wordt veel gespeculeerd. Meer dan eens begeeft men zich op het niveau van de metafysica. In alle gevallen gaat het niet om het verhaal dat de mythe vertelt. Wat er staat moet blijkbaar allegorisch geduid worden.
3.
De mythe groeit laag na laag en continu terwijl het verhaal wordt verteld: ‘myth is language, because myth has to be told in order to exist.’1 Net als bij taal kan je ook bij mythe het onderscheid maken tussen ‘langue’ en ‘parole.’ Maar voor de mythe geldt dat haar betekenis zich ontplooit naarmate zij verder gaat. Het verhaal is historisch terwijl de structuur tijdloos is. Mythe is dus een taal op zich. Een kunstvorm die verder kijkt dan de geschiedenis. Je kan haar vertalen, uitbreiden of verkorten. Zelfs met eigen woorden omschrijven of manipuleren.2 Het verhaal opent een ruimte. ‘Midden in dat verhaal komt de mens ook op verhaal.’3
4.
In een fractie van een seconde die geen werkelijkheid meer in zich draagt komt de mens tot rust. Mythologie is de taal van de verbeelding, en geen vorm van communicatie meer. De kunstenaar Robert Smithson gaat in zijn omschrijving over ‘the non-site’ voorbij aan wat logischerwijs taal lijkt toe te horen. Hij gebruikt het woord ‘dimensionale metafoor’ waarin je van de ene naar de andere plek kan reizen die niet op elkaar lijken:4 ‘everything between the two sites could become physical metaphorical material. (…) You could say that one goes on a fictitious trip if one decides to go to the site of the Non-Site.’4
5.
Mythe en poëzie worden vaak met elkaar in verband gebracht. Er zijn verschillende overlappingen tussen deze twee kunstvormen. Als we kunnen zeggen dat mythe taal is van de verbeelding, dan gaat taal veel verder dan enkel tekst. Het is dan ook niet taal op zich wat hen verbindt, maar eerder het gebruik van metaforen, van symbolen. Specifiek voor de mythe betreft het een poging om begrippen als oneindigheid en eeuwigheid te vatten binnen het eindige en het tijdelijke. Een slang die in zijn eigen staart bijt (oorsprong, verval), die zijn eigen huid afwerpt (leven dat het verleden afwerpt en vervolgt.)
6.
Vaker gebruikt men bij omschrijvingen van de mythe begrippen die verwijzen naar een begin. Een scheppen. Een oorspronkelijkheid. ‘Mythologie is oerpoëzie.’ Aanvankelijk is er heimwee naar het oerbegin. Tussen het ‘paradise lost’ en het ‘paradise regained’ ziet de mens zich meer en meer op eigen verantwoordelijkheid en vrijheid aangewezen.3 Mythos is de bakermat van logos geworden, ze plaatst de mens in de geschiedenis. Als je Levi-Strauss moet geloven worden mythen niet bedacht door de menselijke geest maar denken ze zichzelf in het leven van individuen en gemeenschappen. Het mythologisch proces schept de mens.
7.
‘Niemand weet beter dan jij, wijze Kublai, dat je nooit een stad mag verwarren met de woorden die haar beschrijven.’5

- hoofdstuk I
- hoofdstuk II
- hoofdstuk III
- hoofdstuk IV
- hoofdstuk V
- hoofdstuk VI
- bibliografie

III Is het schip er nog steeds wanneer de laatste sporen van het scheepswrak door de tijd zijn uitgewist?


1.
Ik wil een schip bouwen dus ik bouw een schip. Terwijl de man zijn plannen tekent voor de bouw van zijn zeilschip zeg ik: ik ‘bouw’ mijn schip niet. In de basis willen de man en ik hetzelfde. Er vormt zich een concept in een abstracte ruimte. Een soevereine ruimte waarin onze individuele regels gelden, waar elk van ons regeert als een vorst. Maar binnen hetzelfde concept is er een belangrijk verschil: onze intenties verschillen. Voor de man geldt dat het zeilschip ook daadwerkelijk moet varen. In die vorm en die functie krijgt zijn oorspronkelijk idee betekenis. Maar eenzelfde idee, vormloos, onzichtbaar en abstract gaat ook vooraf aan het wrak op het strand. De oorspronkelijke vorm, functie en betekenis zijn verdwenen. Maar geldt hetzelfde voor de ark, gestrand op de berg, verworden tot een hoop zand?
2.
Genesis 11 Ooit werd er op de hele aarde één enkele taal gesproken. ... Ze zeiden: ‘laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Dat zal ons beroemd maken, en dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken.’ ... Dit is één volk en ze spreken allemaal een en dezelfde taal dacht de Heer. En wat ze nu doen is nog maar het begin. Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik. Als wij naar hen toe gaan en spraakverwarring onder hen teweeg brengen, zodat ze elkaar niet meer verstaan. De Heer verspreidde hen van daar over de hele aarde, en de bouw van de stad werd gestaakt.
3.
Levi Strauss die zijn antwoord op de gelijkenis tussen zoveel mythen zoekt in taal, doet in wezen hetzelfde als het verhaal van Babel. Niet alleen biedt het verhaal een oplossing voor de verspreiding van de mythe, ook lijkt het erop dat de mens wordt gewezen op de onmogelijkheid met logos de wereld te verklaren.
4.
De mythe heeft, wil, poogt en kan. Het heeft een diepere betekenis, het wil een fundamentele vraag stellen, of het wil een poging tot antwoord formuleren. Ze openbaart haar inhoud op andere niveaus van het bewustzijn dan de louter logische en beredeneerde processen, ze kan deze processen overstijgen. Veel van het effect van mythen hangt af van de onuitgesproken delen van verhalen. De completering van een mythisch patroon verlangt een actieve bijdrage van het individu. Mythe moet verteld worden wil het bestaan. Het lijkt erop dat net in dat organische van de mythe haar betekenis ligt. Maar hoe ‘het organische’ te duiden? En hoe betekenis? ‘Het verhaal van de mythe belichaamt en verwoordt een patroon van relaties tussen de mensheid, andere levensvormen en de omgeving.’1 De completering van dit patroon komt eerder in ons bewustzijn op dan dat ze door een verhaal van buitenaf komt.
5.
Volstaat de vorm van Noahs ark op de top van de Ararat? Of de overgebleven mal op Nisir? Maken wij haar vorm compleet door te kijken, erover te fantaseren, te speculeren? Houden wij de verbeelding in stand met onze logos? Of omgekeerd? Op het diepste niveau is omgeving niet alleen een omgeving van ruimte, energie en tijd maar ook ook van bewustzijn dat deze drie verenigt. Kunstenaars en wetenschappers werken samen, logos regeert niet alleen. ‘Mythologie is het licht zelf waarin de mens denkend en handelend woont. Ze schept de oorspronkelijke ruimte die men nooit kan ontruimen.’1
6.
De abstracte ruimte waar de mens vrij is, waar plaats is voor verbeelding, waar de mens op verhaal komt. De soevereine ruimte, ‘the non-space,’ concept, taal, God, kunst, som maar op. Het lijkt erop dat het begrip mythe het best te vangen is doordat haar vorm aanwijsbaar is. Ze kan zich uitdrukken in beelden of voorstellingen die herkend en geaccepteerd worden. Haar symbolen en metaforen zijn niet gedateerd. De deugdelijkheid van de mythe zit voornamelijk in het effect dat ze op onze verbeelding heeft. Ze is met andere woorden de beste metafoor voor datgene waar alle bovengenoemde begrippen voor staan.
7.
Het moment vóór we ons uitdrukken in taal. Het moment net vóór het zien, herkennen en benoemen van een boot. Die fractie van een seconde gaat bijna voorbij aan de waarneembare wereld. Kunnen we die fractie niet uitrekken tot we het in de handen kunnen nemen? Kunnen voelen, begrijpen, erdoor kunnen wandelen? Speelt dit fragment zich wel af in de tijd en daardoor in de waarneembare wereld? Het maakt niet uit. Liever maken we ons ervan af door het de metafysica toe te schrijven. Kijk maar, er staat wel wat er staat. Dat moment waar elk zich als onafhankelijk individu kan manifesteren, waar de uniciteit van het karakter zich het sterkst laat gelden. Dat vast houden en ervaren. Om het vervolgens zo snel mogelijk te vertalen in een beeld, een woord, in poëzie, in kunst.

- hoofdstuk I
- hoofdstuk II
- hoofdstuk III
- hoofdstuk IV
- hoofdstuk V
- hoofdstuk VI
- bibliografie

IV De man had niets om handen en bouwt een boot.


1.
Genesis 1:2 De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water.
God zei: ‘Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’
God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.’
God zei: ‘Het water moet wemelen van levende wezens, en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen.’
God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken.’
2.
Genesis 6:5 De Heer zag dat alle mensen op de aarde slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht. Hij kreeg er spijt van dat hij mensen had gemaakt en voelde zich diep gekwetst. Ik zal de mensen die ik geschapen heb van de aarde wegvagen, dacht hij, en met de mensen ook het vee, de kruipende dieren en de vogels, want ik heb er spijt van dat ik ze heb gemaakt. Alleen Noach vond bij de Heer genade.
3.
Genesis 6:7 Maak jij nu een ark van pijnboomhout. Maak daar verschillende ruimten in en bestrijk hem van binnen en vanbuiten met pek. Maak hem driehonderd el lang, vijftig el breed en dertig el hoog. Hij moet er een lichtopening in aanbrengen en aan de bovenkant één el openlaten; de ingang moet je in de zijkant maken. De ark moet een beneden verdieping krijgen en daarboven nog twee verdiepingen.
4.
Ligt aan de basis van kunst niet de drang om te scheppen? En waar komt die scheppingsdrang vandaan? In de mythe van de zondvloed wordt gepoogd dit te verklaren. Maar in de oorsprong verklaart deze drang zichzelf: iets komt voort uit het niets, een ondraaglijke toestand. In alle culturen ontstaan dan ook scheppingsverhalen met een overeenkomstige structuur. Na de oorsprong en de schepping wordt iets gevormd: het oorspronkelijk zijn weerspiegelt zichzelf, verdeelt zich of creëert andere entiteiten. In het laatste stadium worden de werelden gecreëerd, ze zijn een uitdrukking van wat eerder gevormd werd. Zo zijn alle mythen een afgeleide van het oorspronkelijk scheppingsverhaal, ‘zo is zij [de mythe] de noodzakelijke eerste voorwaarde en de eerste materie van alle kunst.’1
5.
Het individu kijkt tot aan de horizon en niet verder. De zes richtingen waarin de mens zich begeeft (boven, onder, voor, rechts, links en achter) zijn beperkt. Om voorbij de visuele horizon te kijken leren we al snel de taal van de verbeelding. Wordt die taal aangeleerd of is zij reeds aanwezig? Is zij ontstaan in de fractie waarin iets ontstaat uit niets? Het moment waarop het concept zich opdringt, nog vormloos en abstract? Werkwoorden als ‘beginnen’ en ‘eindigen’ omvatten ook het specifieke ‘begin’ en ‘einde'. Dat is niet in de tijd te duiden, niet te grijpen. Het lijkt erop dat de mens zich met allerhande wetenschappen inlaat vanuit dat bewustzijn. Het maakt de mens en de kunstenaar in het bijzonder tot schepper; het concept moet vertaald worden en zich manifesteren binnen zijn visuele horizon. Shakespeare zei dat kunst een spiegel is die de natuur ons voorhoudt. Picasso zei ooit dat kunst een soort intermediair is tussen onszelf en de ontbrekende vijandige wereld. In telkens een andere vorm wordt hetzelfde gezegd. Michelangelo denkt dan weer dat we op zoek zijn naar een manier om de wereld te ervaren, die ons openstelt voor het transcendente dat haar vorm geeft en tegelijk onszelf erin vormt. De kunstenaar heeft geleerd te herkennen en over te brengen wat James Joyce de ‘straling’7 van alle dingen noemde. Hoe elk het noemt, het verwoordt, is door zijn ongrijpbaarheid heel verschillend.
6.
Dit zaad werd een gouden ei, schitterend als de zon, waarin hij zelf in de gedaante van Brahma, de eerste vader van alle werelden, werd geboren.
De wateren werden Nârâs genoemd, het zijn de dochters van Nara, en omdat zij zijn eerste woonplaats (ayana) waren, nam hij de naam Nârâyana aan.
Uit de eerste oorzaak, ongescheiden, eeuwig, in zichzelf zijn en niet-zijn omvattend, ontstond het mannelijke (principe), in de wereld bekend onder de naam Brahman.
In dit ei verbleef de gezegende een heel jaar, daarna verdeelde hij zelf, alleen door de kracht van zijn denken, het ei in twee delen.
Uit de twee delen maakte hij hemel en aarde en daartussen de lucht, de acht hoofdwindstreken en de eeuwige woonplaats der wateren.
Uit zichzelf schiep hij de geest. In zichzelf zijn en niet-zijn omvattend en uit de geest schiep hij het gevoel van ikheid dat zich bewust is van persoonlijkheid en meester is en ook het principe van de ziel en alle objecten die de drie eigenschappen bezitten en vervolgens de vijf organen van de zintuigen die de materiële dingen waarnemen.2

- hoofdstuk I
- hoofdstuk II
- hoofdstuk III
- hoofdstuk IV
- hoofdstuk V
- hoofdstuk VI

V Er bestaat een vorm voor een boot.


1.
Je weet dat het land overstroomt. Je weet niet wanneer. Dieren lopen af en aan, twee aan twee van elke soort en het water valt uit de hemel en vult de valleien. Het regent zoveel dagen. Het schip vaart zoveel dagen. Het water zakt. Tussen de bergplooien van de berg Nisir in Turkije ligt een grote hoop aarde met de afmetingen van de ark. Denk aan een hoopje nat zand in de hand. Plooi de hand in een kom. De vorm die het zand aanneemt.
2.
In Lelystad ligt een kopie van een groot handelsschip voor anker. Ik kijk hoe traag het ankerkoord heen en weer schuift, hoe minimaal die deinende beweging is. In het ruim hoor je het handelsschip zachtjes kraken. Het blijft op zijn plaats. De zee is je tegenstander, zegt de man, soms val je gewoon van een golf af. Met de deining nog in mijn benen wandel ik door de stad.
3.
Halverwege de film ‘Ghostdog’ van Jim Jarmusch neemt de Franse ijsverkoper de seriemoordenaar mee naar het dakterras. Terwijl ze beiden van hun ijsjes likken kijken ze uit over de daken van de stad. Op het dakterras aan de andere kant van de straat bouwt een man zijn boot.
5.
Een ticket waarop twee plaatsnamen staan.
Ik verplaats het van de ene hand naar de andere en terug.
Van hier naar daar en terug.
En wacht.
Op de loopbrug herhaal ik deze handeling tot het land overstroomt.
6.
De aangespannen veters tot lussen omhoogtrekken. Bovenaan beginnen. Aan de hiel trekken, de naakte voet er uit lichten. De tenen strekken. De duimen in de sok en met acht vingers de sok ophalen tot aan de naad. De sok over de voet uitrollen. Over de hiel trekken. Het boordje omslaan. Een laars aantrekken.
Rimpels in het water veroorzaken. Rimpels in het water waarnemen. De boot wordt gelicht.
7.
Het schip vaart tot het water zakt.
Ik laat het bodempje koffie staan.
De kiel van de boot in de berg.
De vallei vult zich met dieren.
De boot wordt een wrak.

- hoofdstuk I
- hoofdstuk II
- hoofdstuk III
- hoofdstuk IV
- hoofdstuk V
- hoofdstuk VI

VI Het blijft een karkas dat langzaam boot zal worden. Weg zal varen.


1.
Net als een kind dat naar een boot wijst en zich afvraagt wie de maker is, wijst hij later naar de wereld, naar zichzelf. Er worden expedities georganiseerd naar de top van de Ararat, naar de berg Nisir of Mount Judi. Objecten worden ingekaderd of op een sokkel geplaatst. De zoektocht naar betekenis is hetzelfde als het geven van betekenis. En het valt volledig samen met onze scheppingsdrang, ons bestaan. ‘Maar wat de mens werkelijk ‘raakt,’ de kern van wat hij ‘ervaring’ noemt, ontglipt hem.’1 Dit leidt soms tot complexe installaties die de kijker uitputten op zoek naar betekenis. De mythe verklaren is op zich al ontmythologiserend te werk gaan.
2.
Mythen zijn waar omdat ze effect hebben. Wie in mythische verhalen een reis onderneemt wordt een held. Die heldentocht begint gewoonlijk met iemand die een gemis voelt en de ‘wereld’ verlaat. Ze gaan een diepte in, een hoogte op of naar een verte, ze gaan naar plaatsen die iedereen wil vinden. Vervolgens komen ze veranderd van zo’n tocht terug. ‘Als je je tot een leermeester wendt om de technieken te leren en te studeren volg je nauwgezet alle instructies van die leermeester op. Maar daarna wordt het tijd dat je regels op je eigen wijze toepast en er niet door wordt beknot. Je kunt de regels eigenlijk vergeten omdat je ze eigen hebt gemaakt. Je bent een kunstenaar.’2
3.
In zijn weg beschrijving naar ‘The Spiral Jetty’ in Utah, schrijft Robert Smithson: ‘This is not much of a road! In fact, at first glance it might not look to be a road at all. Go slow.’ Deze gigantische spiraal, van steengruis, verdween een tijd onder het wateroppervlak van het meer in Utah. Toen het gerucht de ronde deed dat het terug boven water was gekomen, volgde kunstenares Tacita Dean zijn aantekeningen. De ‘Detailed Directions’5 brengen haar steeds verder weg van de bewoonde wereld. Tacita Dean maakte een eigen versie van de tocht:‘there was another kind of jetty, I still do not know if that was it or not, the beginning of it.’ Ze heeft de reis wel ondernomen, maar wat ze als kunstwerk presenteert is fictief.6
4.
Vincent van Gogh keek naar Amsterdam door de ogen van Rembrandt en zag de personages van diens schilderijen op straat lopen. Mythen reflecteren een beleving van de werkelijkheid maar zijn er niet aan gelijk. Ze zijn zo hecht verbonden met cultuur, tijd en plaats dat het leven eruit wegvloeit als men niet de symbolen, de metaforen levend houdt door voortdurende herschepping, door middel van kunst. In oude culturen gebeurde dit via rituelen. Nu dwingen kunstenaars ons tot kijken en bewustwording van de oorpronkelijke schoonheid van de omgeving. Er wordt op details ingezoomd, of de wereld wordt vanuit een nieuw oogpunt gefotografeerd. Een moment wordt op film vastgelegd en herhaald. Er wordt in die mate geassocieerd dat de verbeelding gaat werken. Het geduide suggereert een groter verband, de suggestie is nooit genoeg. Uitgedaagd in zijn creativiteit geeft de kunstenaar symbolen en metaforen steeds een nieuwe jas. Verschillende media worden gecreëerd en gecombineerd.
5.
Two uses of the word ‘see.’
The one: ‘What dot you see there?’ – ‘I see this’ (and than a description, a drawing, a copy.)
The other: ‘I see a likeness … ’3

Hamlet: Do you see nothing there?
The Queen: Nothing at all; yet all that I see.4
6.
Een gedeukte voetbal waarin water zich heeft opgehoopt ligt op straat. Gabriel Orozco fotografeerde dit voorwerp. Wat op het eerste zicht banaal en gekend is toont zich en krijgt een sacrale vorm. De verschillende elementen op de foto, voetbal, water, de deuk, de omgeving, bieden nu meer mogelijkheden. Weerspiegelt de bal de hemel en verbindt het daarmee het aardse en het hemelse? Wordt de voetbal een metafoor? In het kijken wordt de toeschouwer ook een schepper. In elk geval is het onderwerp, het object het doel van het medium fotografie. Dirk Braeckman gebruikt het onderwerp eerder als excuus en toont daarin het medium. Op een foto zie je een pornografische afbeelding. Althans, je ziet genoeg om dat te veronderstellen. Het eigenlijke onderwerp zit verborgen onder de vlek van de flits. Voor het eerst zie ik de lichtvlek niet als iets wat mijn blik belemmert. Wie in een glossy magazine bladert, draait de foto’s van het licht weg.
7.
Tacita Dean onderneemt de mythische tochten in de letterlijke zin. In haar werk ‘Girl Stowaway’ laat zij zich inspireren door het mythische karakter van een verhaal uit een kranten artikel: een Australisch weesmeisje vermomd als jongen onderneemt in haar eentje een reis als verstekelinge op een driemaster. Tacita besluit het verhaal achterna te reizen tot aan het scheepswrak. Maar de mysterieuze verdwijning van haar tas en de moord op een jong meisje die Tacita als laatste zag dwingt haar het verhaal met rust te laten. De driemaster stopt ze veilig weg in haar project: ‘How to put a boat in a bottle.’6
8.
Een kunstwerk dat iemand beweegt tot het bezit ervan is een vorm van pornografie7. Het zegt genoeg over de icoonvorming van kunstenaars. Een esthetische ervaring schrijft hij toe aan de ervaring waarbij je het object niet wil bezitten maar het eenvoudig beschouwt, de delen ten opzicht van elkaar en vervolgens ten opzicht van het geheel kan zien. En in dit ritme van beschouwen de straling van het kunstwerk ervaart. ‘Elk invloedrijk kunstwerk dringt door in ons wezen en verandert ons voor altijd.’7
9.
Heidegger: ‘Het meest nabije is het meest verre’
Nietzsche: ‘Iedereen is zichzelf het verst.’
10.
Taal schrijft de werkelijkheid weg. Thierry de Duve zal in zijn kunsttheorie stellen dat je enkel kan aanwijzen wat Kunst is. Dat is Kunst (en je wijst), en dat is Kunst.8 Op geen enkel andere manier is de verwijzing in taal zo concreet dan voor het object te staan en dat aan te wijzen. Dieren, zegt Faverey, op wieltjes.
11.
Op twee manieren kan je Despina bereiken: per schip of per kameel. De stad ziet er anders uit voor wie over land komt dan voor wie over zee komt.
De kameeldrijver ziet aan de horizon van de hoogvlakte de puntige daken van wolkenkrabbers en radarantennes opdoemen, rood-witte windzakken wapperen, schoorstenen rook uitspuwen en denkt aan een schip; hij weet dat het een stad is maar hij ziet haar voor zich als een schip dat hem weg zal voeren uit de woestijn; een zeilschip dat op het punt staat uit te varen, terwijl de wind de nog niet losgemaakte zeilen bolt, of een stoomboot waarvan de ketel trilt in het ijzeren ruim; hij denkt aan alle havens, aan de handelswaar van overzee die op de kaden gelost wordt, aan de kroegen waar bemanningsleden van verschillende vlag flessen op elkaars hoofden stukslaan, aan verlichte benedenvensters, met achter elk een vrouw die haar haar kamt.
In de nevel van de kust ontwaart de zeeman de vorm van een kamelerug, van een geborduurd zadel met glanzende franje tussen twee gevlekte bulten die schommelend voortgaan; hij weet dat het een stad is maar hij ziet haar voor zich als een kameel met leren zakken aan het zadel, en zadeltassen met geconfijt fruit, dadelwijn, tabaksbladeren, en hij ziet zich al aan het hoofd van een lange karavaan die hem wegvoert uit de zeewoestijn, naar oases met zoet water in de gekartelde schaduw van palmen, naar paleizen met dikke gepleisterde muren, met betegelde binnenplaatsen waar danseressen met blote voeten dansen en hun armen, bewegen, een beetje binnen en een beetje buiten hun sluier.
Iedere stad krijgt haar vorm door de woestijn waaraan zij tegengesteld is; zo zien de kameeldrijver en de zeeman Despina, grensstad tussen twee woestijnen.9

- hoofdstuk I
- hoofdstuk II
- hoofdstuk III
- hoofdstuk IV
- hoofdstuk V
- hoofdstuk VI

Geraadpleegde bibliografie per hoofdstuk
Per hoofdstuk: I 1 Soemerische Gilgamesj Epos 2 Genesis 7:19-20 eng 3 Uit het Maya-geschrift: "Troano-manuscript" 4 Hopi-indianen 6 Young's Literal Translation (1898) 7 Genesis 7:17-20 ndl 8 The Holy Qur'an (Al Hud) 11:44 9 Genesis 7:17-20 ndl nieuwe vertaling 10 Genesis 8:4 11 Genesis 8:4 eng. II 1Claude Levi-Strauss: The Raw and the Cooked (The Structural Study of Myth) 2 Peter Barry, Beginning Theory, hfdst 2 3 Wim Thys, theoloog, In den beginne was de mythe 4 Robert Smithson, Selected writings by Robert Smithson, A Provisional Theory of Non-Sites 5 Italo Calvino, de onzichtbare steden, p59, 1985 Amsterdam III 1 Wim Thys, theoloog, In den beginne was de mythe IV 1 R.J.Stuart, Scheppingsmythen: wortels van onze beschaving, 1989, Baarn 2 Brahmaanse scheppingsmythe VI 1Frank Vande Veire over het werk van Dirk Braeckman, A Prior, 2002 2Joseph Campbell, Mythen en bewustzijn, uit een gesprek met Bill Moyers, 1988 The power of myth 3 Ludwig Wittgenstein, philosophical investigations, XI 4 William Shakespeare 5 Tacita Dean, Girl Stowaway, How to put a boat in a bottle, a conversation with Tacita Dean, 6 Spiral Jetty is een kunstwerk van Robert Smithson./ Hij schreef de ‘detailed directions’ om in Utah dit kusntwerk op te sporen 7 James Joyce, Stephen Hero, 1944 8 kunsttheorie, lessen van gastdocent en kunsttheoreticus Thierry de Duve 9 Italo Calvino, de onzichtbare steden p21 Algemeen: Els Goethals, Mythologie zonder voetnoten Karen Armstrong, Myhten, een beknopte geschiedenis Joseph Campbell en Bill Moyers, Mythen en Bewustzijn, de kracht van de mythologische verbeelding Wim Thys, In den beginne was de mythe, een opstel over de oorsprong van mythos en logos R.J. Stewart, scheppingsmythen, wortels van onze beschaving Henna Goudzand en Fré Mijer, Contra punten, mythen in kunst van vrouwen, een impressie

  • begin blauwdruk
  • description

    Blueprint, 2006
    installation of a loose-leafed poster book and two video-sculptures on a monitor
    ink-jet print on paper, text and image
    23 x 32 x 4 cm

    In Blueprint I wonder if the form of a boat exist, by looking where the meaning of the word boat begins and just not ends. I notice how different forms start referring to one another: a boat to a pencil line, to a piece of wood, to myths, to mountains, etc. With a small move of the camera, the nave, filmed out of the attic of the Old Church in Amsterdam, starts to float. In a second video I try to be part of my surrounding and become the figurehead of a ship.

    In Blauwdruk vraag ik me af of de vorm van een boot bestaat door te kijken waar de betekenis van het woord ‘boot’ begint en net niet eindigt. Ik merk op hoe verschillende vormen naar elkaar beginnen te verwijzen: een boot naar een potloodlijn, naar een stuk hout, naar mythes naar een berg enzovoort. Door een kleine beweging van de camera, gefilmd vanuit de zolder van de Oude Kerk in Amsterdam, begint het schip van de Oude Kerk te varen. In een tweede video probeer ik onderdeel te worden van mijn omgeving en word ik zo het boegbeeld van een schip.

    <<